
Marleen van Panhuis blogt: 'Oorlog in Ermelo'
Het is twee uur ‘s nachts ik schrik wakker van een knal. Meteen zit ik rechtop in bed. Mijn oren gespitst en mijn ogen wijd open. In de donkere kamer is niet veel te zien. De verduisterende gordijnen laten geen streepje licht naar binnen. Zo rustig mogelijk stap ik uit bed en ik doe het licht aan. Ik pak mijn telefoon en stuur een groepsappje naar mijn vriendinnen: “De Duitsers hebben Ermelo bereikt!” Snel stop ik mijn mobiel in mij tas. En daar hoor ik het weer! schoten! Ze klinken niet ver weg.De angst zegt me dat ik zo snel mogelijk naar een andere plek moet gaan. Vlug trek ik mijn kleren aan.
Mijn instinct zegt me dat ik naar mijn familie moet gaan.We moeten bij elkaar blijven!
Voorzichtig schuif ik de gordijnen opzij en ik kijk naar buiten. Er is gelukkig nog niks geks te zien op straat. Mijn familie woont een paar straten verderop en ik ben vastbesloten om naar ze toe te gaan!
Er is geen tijd om eerst mijn pyjama uit te trekkendus trek ik mijn kleren aan over mijn pyjama. Snel geef ik mijn kat Jip een kus en ik beloof hem dat ik snel terug zal zijn. Ik pak mijn belangrijkste spulletjes bijeen; een paspoort, medicijnen, pinpas en de oplader van mijn telefoon. Ik stap naar buiten. Door de adrenaline die door mijn lijf stroomt krijg ik de deur bijna niet op slot “shit” mompel ik in mezelf. En ik dwing mezelf om enigszins rustig te blijven.
De lucht is deze nacht donkerder dan anders.Het maakt me nog banger dan ik al was. Even wordt ik boos op mezelf omdat ik mijn fiets niet heb laten repareren. Die staat nu defect in de schuur. Was ik nou maar niet zo makkelijk geweest dan had ik veel sneller bij het huis van mn ouders kunnen komen. Er zit niks anders op dan lopend naar het huis van mijn ouders te gaan.
Mijn eerste stappen zijn bedachtzaam en voorzichtig.Ik kijk de straat in. Een enkele buurman kijkt mijn kant op. Ook hij lijkt van plan om zo te vluchten. Kort zwaai ik naar hem. Voorzichtig zwaait hij terug. Nog één keer kijk in de straat in. Er is niks opvallends te zien. Daarna steek ik de weg over. De overkant van de weg heeft nog ooit zo ver geleken als vannacht. Maar ik mag niet gezien worden. Want als ik nu gezien wordt schieten de Duitsers me sowieso dood. Want het is verboden om na zonsondergang de straat op te gaan.
Op de hoek van de straat sta ik even stil.Weer klinken er schoten. Dit keer nog dichterbij dan toen ik nog in bed lag. De oorlog komt steeds dichterbij en het beangstigd me. Vorige maand is er een bom gegooid op Amsterdam. Heel Nederland was in shock en duizenden mensen vonden de dood. Maar al snel kwam er een persconferentie op tv van de de regering. Daarin zeiden ze dat ze “alles onder controle” hadden. En dat “we nergens bang voor hoefden te zijn”. Toen president Rutte dat zei dacht ik nog: “wat zal ervan waar zijn?”
Had ik nou maar eerder naar mijn eigen instinct geluisterdop dat moment! dan had ik mijn familie sowieso nog kunnen redden. En hadden we tijd genoeg gehad om een veilige plek te zoeken. Het schieten is weer gestopt en voorzichtig beweeg ik me door de straten. Ik ben blij dat ik mijn All Stars heb aangetrokken want daar kan ik het beste op lopen. Bij mijn ouders huis gekomen klop ik vier keer snel achter elkaar op de achterdeur. Dit hadden we van tevoren afgesproken. Nu weten ze dat ik er ben.
Voorzichtig wordt de achterdeur opengemaakt.Mijn moeder kijkt angstig, maar als ze ziet dat ik het ben verandert haar angstige blik in een grote glimlach. Dikke tranen lopen over haar wangen. “Wat fijn Marleen dat je er bent! nu zijn we in elk geval samen.”
Dit verhaal is natuurlijk niet echt gebeurd maar dit had zomaar waarheid kunnen zijn. Als je de Tweede Wereldoorlog in deze tijd zou plaatsen dan had het er voor mij zo uit kunnen zien. Ik wilde graag een verhaal schrijven om je meer een “gevoel” te geven bij de oorlog. En ik denk dat dit een goede manier is. Door het verhaal te schrijven in de tijd van nu. Ik hoop dat het je laat nadenken over de oorlog en dat je vanavond twee minuten stil zult zijn. Wees dan niet alleen stil maar denk er eens aan wat jij gedaan zou hebben als je in oorlog leefde nu. Zou je onderduikers opvangen? Baby’s naar een veilige plek brengen? Een lid zijn van het verzet? Zou je iemand verraden om jezelf te redden? Of zou jij je hebben aangesloten bij de “vijand” die eerst niet meer leek dan een politieke partij met sterke idealen? Ik weet eerlijk gezegd niet of me bij het verzet zou durven aansluiten. Want het is een zeer risicovolle taak. Maar mocht het ooit zover komen dan zal ik bidden of ik de moed mag hebben om me aan te sluiten bij het verzet. Want ik zou liever als held sterven dan als een laffe overloper.