Deel1 ‘Wielrenner Godert de Leeuw wil naar de Olympische Spelen’: Ermelose sportartikelen uit de oude doos

Godert de Leeuw.
Foto: Henk van den Berg (uit het archief van Godert de Leeuw)

In de vijftiende aflevering van de ‘Ermelose sportartikelen uit de oude doos’ het eerste deel van een interview met Godert de Leeuw (donderdag 11 juli 1991). De Ermelose topwielrenner bij de amateurs schreef vele overwinningen op zijn naam, waaronder de Ronde van Ermelo.

Door Bram Burggraaff.

Godert de Leeuw maakt deel uit van de sterke Teleflex-ploeg, die zowel nationaal als internationaal successen boekt. Eén van Goderts grootste ambities is deel te kunnen nemen aan de Olympische Spelen van 1992 in Barcelona. Zowel op de weg als op de baan zijn er voor hem mogelijkheden.

Hoe komt iemand in de top van het amateurwielrennen terecht?
“Ik heb altijd veel gesport, eerst voetballen bij DVS’33 en later toerfietsen bij de Veluwse Wielervereniging. Op gegeven moment wilde ik me meten met andere wielrenners en werd lid van Wielervereniging ‘De IJsselstreek’. In het begin is het een kwestie van meerijden, maar door veel te trainen, word je sterker en bij de junioren (17 en 18 jaar) won ik toen wedstrijden. Op mijn negentiende ben ik amateur geworden met als doel om daar ook kort te gaan rijden en begon daar eveneens wedstrijden te winnen. Je gaat er steeds meer voor doen en voor laten. Je ziet dat er vooruitgang in zit en dat geeft veel voldoening. Ik kreeg toen de uitnodiging om te gaan rijden bij de gesponsorde wielervereniging Teleflex en sindsdien, rijd ik ook in het buitenland en blijkt dat ik ook in een internationaal amateurgezelschap redelijk goed mee kan.’’

Wat waren je grootste successen toe nu toe?
“Ik ben drie keer Nederlands Kampioen geweest op het onderdeel koppelkoers achter de motoren op de baan en bij de militairen op de weg. In juni dit jaar heb ik de Ronde van Midden-Nederland gewonnen en daarvoor de Drielanden Omloop; dat is een klimklassieker door Nederland, België en Duitsland, waaraan de hele nationale selectie meedeed, als voorbereiding op het Wereldkampioenschap. Verder veroverde ik veel ereplaatsen in grote wedstrijden. Ik heb nu 35 overwinningen behaald bij de amateurs voornamelijk in criteriums. Ik ben opgenomen in de basisselectie en bij voldoende prestaties, maak ik kans op het WK dit jaar of de Olympische Spelen in Barcelona volgend jaar. Ook op de weg hoop ik dat te redden.’’

Wat voor trainingen doe je en hoeveel trainingsarbeid moet je verrichten?
“In januari gaan we weer op de weg fietsen. Dit jaar was het heel slecht weer, toen zijn we langer doorgegaan met veldrijden. Je begint met kilometers maken in één tempo, de duurtraining, dat is opbouwen van je uithoudingsvermogen. In februari gaan we trainingswedstrijdjes rijden, zodat je weer aan de wedstrijden gewend raakt: Conditie opbouwen, aanzetten na een bocht, sprinten. In het begin train je anderhalf uur op een dag en in februari bouw je dat uit naar drie tot drieënhalf uur per dag. In maart beginnen de wedstrijden. Eén wedstrijd per weekend van zo’n drie tot vier uur is dan de piek. Dat is tegelijkertijd je training één keer in de week en een duurtraining, afgewisseld met een interval, aanzetten en sprinten, is dan voldoende. Als je meerdaagse of meer wedstrijden binnen een week rijdt, dan worden dat je trainingen. Tussendoor moet je voldoende herstellen, rust krijgen en jezelf goed verzorgen. Ik plan mijn trainingen altijd in combinatie met de wedstrijden.’’

Wat zijn de ambities voor de toekomst: Eventueel een profcarrière?
“Ik merk ieder jaar sterker te worden en ga steeds constanter rijden. Dit seizoen heb ik 25 klassiekers gereden, alle keren bij de beste dertig en zestien keer bij de beste tien. Ik zal mijn uiterste best doen om zowel op de weg als op de baan te mogen deelnemen aan de Olympische Spelen. Wat betreft een profcarrière: Ik ben nu 23 jaar en heb gezegd, wanneer ik met mijn 24e nog geen prof ben, dat ook niet meer te redden, maar het is altijd moeilijk te bepalen. Als er een Nederlandse ploegleider komt, dan ben ik zeker geïnteresseerd. Dat betekent overigens niet, dat je gelijk een Tour de France gaat rijden; een ploeg bestaat uit twintig renners, van wie er negen naar de Tour gaan. Je moet dan zeker tot de wereldtop behoren.’’

Wat maakt wielrenner zo’n aantrekkelijke sport?
Het is een sport waar je steeds meer in opgaat. Goede prestaties zijn de beloning voor inzet en trainingsarbeid. Je gaat prijzen rijden, ploegleiders raken in je geïnteresseerd, ook blijkt dat je niet alleen regionaal, maar ook nationaal goed mee kan. In het begin was ik bang voor andere renners, nu ben ik zover dat ze gewoon rekening met mij moeten houden. Bij het voetballen had ik er weleens moeite mee dat je inzet niet beloond werd. Ik hing bij DVS tegen de C1 aan en ging regelmatig mee als reserve, maar mocht maar een enkele keer spelen en dat ging dan door zenuwen prompt fout. Bij wielrennen rijd je ook in een ploeg en moet je aan bepaalde opdrachten houden, maar bij een wielerwedstrijd loopt het vaak anders dan je denkt. Een wedstrijd kan een hele andere wending krijgen. Soms denk je eraf te moeten, maar dan blijkt later dat je over het dode punt heen komt en win je misschien wel zo’n wedstrijd. Men denkt ook weleens dat de beslissende slag gevallen is, maar dan komt er toch een heel peloton om de bocht heen. In de laatste kilometers raakt het peloton vaak op drift en kun je net iets extra’s. De koploper houden zich in voor nog een demarrage of de sprint. Als het peloton de koplopers éénmaal ziet en de ploegen gaan samenwerken, dan gaat het ontzettend hard en redden alleen de sterksten het.’’

Reacties

X

Meld je nu aan voor onze nieuwsbrief
Aanmelden